Door het oog van de naald

In September 1951 zei ik Nederland vaarwel en werd uitgezonden, als employé bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij.

Ik kwam te werken op het hoofdkantoor te Djakarta en regelde de administratie en mutaties van het nautisch varend personeel op 20 coasters. Later werd ik bureauchef en deed hetzelfde werk, alleen dan voor de gehele vloot, ca. 100 schepen, groot en klein.

Mijn directe chef was de heer L. H. N. Jungschläger die de scepter zwaaide over de gehele Nautische Dienst. Ik heb hem leren kennen als een zeer respectabel en sympathiek man.

Behalve over het Nederlands varend personeel ging ik over de Indonesische dekdienst (stuurlieden lokaalvaart en ladingsklerken) .

In deze functie had ik daardoor regelmatig te maken met de S.P.S.l., de Indonesische vakbond voor zeevarenden Vooral wanneer een Indonesisch personeelslid moest worden ontslagen, verliepen de contacten verre van plezierig.

In die dagen was de stemming in de Indonesische berichtgeving erg anti Nederlands. Zo stelde men dat de verslechterende economische toestand uitsluitend te wijten was aan activiteiten van Nederlandse ondernemingen. Vooral de KP.M. moest het hierbij ontgelden. Als representanten werden steeds de namen genoemd van Jungschläger -ex-chef NEFIS (NEth. Forces Intelligence Service), Orth - ex-chef koloniale politie - en in mindere mate mr. D. F. de Koe president-directeur van de K.P. M. - op de aanplakbiljetten van de vakbond aan boord van de schepen en op het hoofdkantoor van de KP.M. Zelf moest ik de eerste keer lachen om de toevoeging achter mijn naam. "Lang niet gek", dacht ik, voor een ex-commissaris van politie tweede klasse. In ieder geval maakte niemand bij de K.P.M. zich daar werkelijk druk om.

Men redeneerde: Er gebeurt toch niets, zonder onze schepen zou er geen verbinding zijn tussen de eilanden, want de K.P. M. had praktisch het monopolie, de nationale rederij Pelni (PELajaran Nasional Indonesia) speelde slechts een zeer ondergeschikte rol; een naïeve ‘ gedachte, naar later bleek. De nationalisatie van de KP.M. en alle ander Nederlandse firma’s in december 1957 kwam later dan ook volkomen onverwacht.

Medio mei 1953 kwam de heer Jungschläger tijdens één van onze dagelijkse contacten met het volgende verzoek om hulp: "Zeg Orth, jij hebt toch nog contacten bij de politie? Ik moet namelijk voor de maatschappij naar een maritieme conferentie in Colombo, maar ik mag het land niet uit. Mijn toelatingskaart wordt niet verlengd. Als ik het land verlaat, kan ik er niet meer in". lk beloofde hem te helpen en wendde mij tot mijn vriend en oud-collega R. Djoehri Djajanegara, die vlak bij mij in de buurt woonde aan de djalan Mampang. Deze bekleedde een vrij belangrijke functie bij de Procureur-generaal.

Enkele dagen later voegde ik me weer bij Djaja, zoals ik mijn eerdergenoemde vriend noemde.

De verwachte toezegging voor een permit bleef echter uit. In plaats daarvan wilde hij weten wat voor iemand de heer Jungschläger was. Toen ik deze beschreef als een zeer integer en voorkomend mens, gaf hij mij het volgende advies: “Hij moet zo snel mogelijk Indonesië verlaten, want er liggen hem zeer onverkwikkelijke dingen in het verschiet.” Meet kon en wilde Djaja hierover niet kwijt .

Teleurgesteld kwam ik met deze boodschap weer bij mijn baas. Die toonde zich echter vrij optimistisch en zei het nog eens te zullen proberen via Hadji Princen.

"Dat heeft weinig zin meneer Jungschläger, want Princen is sinds kort bi j de Republiek uit de gratie. Volgt u nu maar het advies op van mijn vriend Djaja. Die is goed ingelicht en zegt echt niet zo maar iets."

Aldus probeerde ik hem van dit plan af te brengen. Ook hierna heb ik mijn chef nog herhaalde malen geconfronteerd met de goede raadgeving van l)jaja. Tijdens de nieuwjaarsreceptie in 1954 in het Logeergebouw van de KP.M. aan de djalan Gadjah Mada (voorheen Molenvliet), raakte ik nog in gesprek met mevrouw Jungschläger. Zij bleek op de hoogte te zijn van mijn bezoeken aan Djaja, en van zijn adviezen. Ook zij had hem herhaaldelijk voorgehouden de raad van Djaja op te volgen. Tevergeefs helaas, zoals uit het volgende zal blijken.

Half januari 1954 werd de heer Jungschläger gearresteerd samen met enige andere Nederlanders, waaronder de oud-kapitein Schmidt. Aangezien ik zelf ook voor arrestatie vreesde, ging ik op informatie uit bij mijn Indonesische oud-collega's van de politie. Deze stelden mij echter gerust. "Je hebt altijd goed met ons samengewerkt, Orth. Je hebt echt niets te vrezen” .

Eerst drie maanden later kon Mr. Bouman, die voor de verdediging van de heer Jungschläger was aangetrokken, met zijn cliënt in contact treden. Hij kreeg toen pas inzage van de processen-verbaal Vanwege het vele werk schakelde hij zijn assistent Mr. Boegheim in, die eigenlijk speciaal was aangetrokken voor de talrijke claimzaken bij de KP.M. Het toeval wilde, dat deze mijn bridgepartner was bij de KPM. bridgeclub. Op een keer vroeg hij of ik na de oorlog nog bij het KNIL had gediend. "Neen, ik heb alleen voor de oorlog normaal mijn dienstplicht vervuld. Maar waarom vraag je dat eigenlijk?". Boegheim vertelde toen dat hij in één der processen-verbaal had gelezen, dat een zekere Orth, een lange donkere Indische jongen, ex-officier KNIL, samen met Jungschläger troepen had geïnspecteerd. Het waren eenheden van de Daroel Islam, een beweging die fel gekant was tegen de toenmalige republikeinse regering, opererend in de buurt van Tasikmalaja. Deze aantijging aan het adres van mijn chef en mij, overtuigde mij opnieuw ervan, dat de hele arrestatie met alles er om heen, om één of andere duistere reden in scene was gezet. Mijn ongerustheid was echter opnieuw gewekt en ik besloot opnieuw mijn Indonesische oud-collega's te raadplegen. Ook ditmaal kreeg ik te horen, dat er wat mij betreft, niets te vrezen viel Intussen was het proces tegen de heer Jungschläger en zijn mede-arrestanten begonnen. Het werd op de voet gevolgd in alle Indonesische dagbladen en in het enige in het Nederlands verschijnende blad “De Nieuwsgier”. De vervolging-werd geleid door de officier van justitie Soenario, voormalig djaksa in dienst van het Nederlands Indische gouvernement. Deze wist het zo handig te spelen dat de gewone man in Indonesië overtuigd raakte van de schuld van de gearresteerden. En zelfs Nederlanders, die bi j de KP.M. werkten, begonnen aan de onschuld van hum collega te twijfelen. De beschuldiging dat Jungschläger en zijn mede-arrestanten leiders waren van een ondergrondse beweging, ter omverwerping van het republikeinse gezag, kwam uit de mond van onder meer twee criminele gevangenen, een zekere Tomasowa en een zekere Manoch.

Op belofte van strafvermindering, kraamden deze twee lieden allerlei onzinnige beweringen uit, die hen door de politie in de mond waren gelegd.

Omdat Mr. Bouman in het proces te lastig werd gevonden, werd hij van verschillende kanten met de dood bedreigd. Hij legde daarom de verdediging neer en ontvluchtte kort daarop het land. Mr. Boegheim was door een toenemend aantal claimzaken bij de KP.M. ook niet meer beschikbaar. Gelukkig was mevr. Mieke Bouman bereid de taak van haar man over te nemen.

Zij deed dit op heel onverschrokken en bekwame wijze en oogstte hiervoor alom veel lo£ Ook haar Indonesische vrouwelijke collega heeft hier veel toe bijgedragen.

lk woonde met mijn gezin in de djalan Garoet en was gewoon 's zondags met mijn kinderen de katholieke kerk te bezoeken aan de djalan Malang die parallel liep aan onze straat. Soms ontmoette ik dan mevrouw Jungschläger en aan het einde van de mis liepen wij meestal een eindweegs met elkaar op, omdat we dezelfde richting uit moesten. Op een keer merkten wij dat we gevolgd werden. Ook de zondag daarna hadden wij dezelfde ervaring.

Besloten werd niet meer samen op te lopen, omdat wij vermoedden dat dit iets te maken had met de troebelen rond haar man.

Een paar dagen later gebeurde er iets dat onze gedachte van die zondag bevestigde .

In die dagen had ik de beschikking over een motorfiets van de K.P.M ., een Puch 175 cc. Daarmee reed ik elke dag om twaalf uur naar huis om te lunchen. van het K.P.M. Hoofdkantoor aan de djalan Medan Merdeka Tinmr was het ongeveer een kwartier rijden, dus best te doen. Toen ik op een middag na de lunch, even had "gerelaxt" en juist mijn motor wilde starten, stopt er een jeep voor ons huis. Een mij onbekende man liep het erf op en vroeg: "Bent u meneer Orth? " "Ja, dat klopt“. "Ik ben inspecteur Bos en moet u verzoeken mee te komen naar het bureau. De chef recherche wil u spreken." "Wie, Saoed?" (de commissaris van politie R. Saoed Wirtasendjaja, één van mijn oud-collega's was namelijk chef recherche op het Hoofdbureau van politie op Gambir, Koningsplein). Mijn begeleider antwoordde niet en gebaarde slechts naar de zitplaats naast de bestuurder. Ik vond het wel vreemd, dat mijn vriend Saoed mij liet halen voor een gesprek. Ik had echter weinig keus en ging dus met Bos mee. De jeep reed de djalan Garoet uit, sloeg linksaf de djalan Jocja in en draaide bij de eerste kruising de Mampang weg op. Bijna aan het einde daarvan de spoorweg over en op Menteng aan. Ter hoogte van het kruispunt Parapattan reed de jeep niet door naar Gambir, maar sloeg rechts af. “Oh jee,” dacht ik "dat gaat verkeerd." lk wist namelijk dat deze weg naar het bureau liep van de politieke recherche in de Nederlandse tijd de P.I.D. (Politieke Inlichtingen Dienst). Ik moest meteen aan de kwestie Jungschläger denken en voelde mij nog minder op mijn gemak. Na een eindeloze reeks betjaks en tal van andere auto's ingehaald te hebben, de bestuurder had kennelijk haast, reden wij een tijdje later inderdaad het voorplein op van het genoemde bureau.

We stapten uit en Bos leidde mij naar een vertrek waar twee politiemannen in burger druk aan het typen waren.

Bos riep luid tegen hen: "Djaga orang ini" (Bewaak deze man) en tegen mij: "U staat onder arrest!". Nog voor ik kon reageren was hij de kamer al weer uit. lk moest plaats nemen op een versleten houten bank en werd verder aan mijn eigen gedachten overgelaten. lk zag mijzelf al in een cel naast die van Jungschläger zitten. En in de rechtszaal in het beklaagdenbankje. Op dat moment begon ik me pas echt zorgen te maken. Hoe moet dat nu thuis? Wie zal er voor mijn gezin zorgen? lk begon toen maar schietgebedjes te prevelen in de hoop dat er hulp zou komen opdagen. En warempel.

Nog geen halfuur later stapte er een vroegere hoofdagent van mij, een zekere R. Djoemha-wan, de kamer binnen. Zijn mond viel bijna open van verbazing. Hij kwam toen op me af en begon mij uitbundig te begroeten. Vroeg hoe het met mijn gezin was en haalde oude gebeurtenissen op uit de tijd toen wij samen bij de politie zaten. Op een gegeven moment vroeg hij : “Waarom bent u hier eigenlijk?“. "Weet je dat dan niet?", antwoordde ik hem met een wedervraag. “Nee, nee, eigenlijk niet”. Toen vertelde ik hem dat ik gearresteerd was, zonder de reden daarvan te weten. Direct hierop zag ik zijn gezicht betrekken en hem schichtig kijken naar beide typende agenten. Hij wist niet hoe gauw hij moest wegkomen en ik begreep dat van hem geen hulp te verwachten viel. Natuurlijk bang dat contact met een verdachte hem in moeilijkheden zou kunnen brengen. “Jammer”, dacht ik en begon in arren moede opnieuw met mijn schietgebedjes.

Zo verstreek er weer een uur. De zon zakte al lager naar de kim. Er verscheen een man, die de krees omhoog begon te trekken (een soort zonwering van bamboelatten). "Nog een paar uren, dan is het avond", dacht ik "en ze hebben niet veel haast met ondervragen, straks sluiten ze me nog op. En wie weet, hoe lang zij me nog hier houden. En of ik hier nog ooit uit zal komen”.

lk begon weer aan mijn gezin te denken en zag de toekomst weinig rooskleurig in. Juist op dat moment kwam er iemand langs, die terloops even naar binnen keek, terugliep en toen het vertrek binnenkwam. "Dag meneer Orth, dat is lang geleden." Verbaasd keek ik in het vriendelijk lachende gezicht van de commissaris van politie R. Amanan Setiamihardja. Allerlei herinneringen kwamen weer boven. In juni '49 droeg ik aan hem het commando over van het politiekorps in de residentie Krawang. Hij was het ook die mij en mijn gezin persoonlijk in Tandjong Priok uitgeleide deed, toen wij met het ms. Oranje naar Holland vertrokken. lk had er in het verleden bij hem herhaaldelijk op aangedrongen mij te tutoyeren, maar ofschoon hij wel tien jaar ouder was, bleef hij mij met u aanspreken. Waarschijnlijk omdat ik destijds zijn chef was. Ook nu dus weer. Hij schudde mij hartelijk de hand. Vertelde dat hij al lang uit Krawang weg was en hier in Djakarta tot souschef was benoemd van de P.I.D. Toen hij hoorde over mijn aanhouding, toonde hij zich hoogst verontwaardigd. Nadat wij nog een tijdje hadden doorgepraat en hadden geïnformeerd naar het wel en wee van elkaars gezinnen, nam hij afscheid met de woorden: "Wacht maar rustig af meneer Orth, ik regel het verder wel. En jawel, nog geen tien minuten later stapte er een man binnen. Hij ging voor mij in de houding staan en salueerde. Stelde zich voor als hoofdinspecteur .... .. (naam vergeten) en vroeg of ik al gegeten had. Of ik nog iets wilde drinken en dat ik direct geholpen mu worden! Ik zei, dat ik alleen graag naar het toilet wilde. “Wacht u even, meneer. Ik zal de sleutel van het toilet van de chef halen.”

“Wat een levensgrote ommekeer”, bedacht ik. Eerst als een nummer behandeld en nu mocht ik zelfs van de wc van de grote baas gebruik maken. Bij mezelf dankte ik Onze Lieve Heer, dat hij Amanan op mijn weg had gestuurd. Niet lang daarna kwam er weer een politieman, ook een hoofdinspecteur die mij meenam naar zijn kamer.

"Meneer Orth, waar was u in januari 1950?" (de tijd van de Westerling-coup).

"Met verlof in Nederland. Commissaris Djaja, die nu werkzaam is bij de Procureur Generaal kan dit bevestigen. Hij was in die periode met zijn gezin met studieverlof in Amsterdam. Wij hebben elkaar destijds regelmatig opgezocht". "Goed, en wanneer bent u uit Indonesië vertrokken?"

"Op 2 juni I949. Commissaris Amanan, in hoogst eigen persoon heeft mij en mijn gezin nog uitgezwaaid" .

"Ia, ja, en op welke datum bent u weer in Indonesië teruggekeerd?"

"Dat moet begin september '51 geweest zijn” .

"Mooi, dan weet ik genoeg. Mag ik dan nu uw paspoort zien? Dan kan ik de stempels van de Indonesische immigratiedienst even controleren" .

"Die heb ik helaas niet bij me. lk heb altijd alleen mijn rijbewijs, portemonnee en sigaretten op zak.

"Dat is niet erg. Maar kunt u die morgen dan nog even laten zien?"

"Ja, ja natuurlijk" .

"Mooi, dan ben ik nu met u klaar. lk zal even een jeep laten komen. Dan kan die u meteen naar huis brengen".

Ik weigerde beleefd doch beslist van dit aanbod gebruik te maken en verliet opgelucht het gebouw. Even later stond ik aan de kant van de vrij drukke straat en keek nog even om naar het gebouw waar ik de afgelopen benauwde uren had doorgebracht. lk hield een betjak aan, noemde de straatnaam en stapte in. lk was zo blij, dat ik niet eens de moeite nam een prijs af te spreken. Alle kantoren waren inmiddels uit en het was behoorlijk druk op de weg lk genoot met volle teugen van het straatbeeld. De geluiden, de geuren. Het gekrioel van fietsers, betjaks, vrachtauto's en andere voertuigen. Langs de kant hier en daar stalletjes met eetwaren en lekkernijen, wachtend op hum klanten. Een saté verkoper die met een kipas de houtskooltjes leven in blies. Een bami kwa verkoper die de dampende mie voor een klant aan het opscheppen was. Een kippenverkoper die zijn onverkochte kippen in krandjangs weer naar huis voerde. Wat een prachtige aanblik. Ik besefte toen pas hoe waardevol dit alles was. Dat je het pas gaat waarderen wanneer je ervan verstoken bent. De schemering was intussen ingevallen. De betjak rijder stopte niet om zijn verlichting aan te doen. Toen we op de Mampangweg reden was het al helemaal donker geworden. Een tijdje later draaiden we de Garoetweg in en bij nummer acht beduidde ik de betjak rijder te stoppen. lk gaf hem een vorstelijke fooi en stapte de veranda van mijn huis op. Opeens, verraste kreten. Opgewonden geroep. Wat was iedereen blij mij weer heelhuids terug te zien. Mijn vrouw had danig over mij in angst gezeten. Zij had die middag direct de K.P.M. over het gebeurde ingelicht. Kort daarop was Mr. Kriek, de jurist bij de afdeling Personeelszaken, gekomen om haar bij te staan.

Hij had haar verteld dat het Hoge Commissariaat al op de hoogte was en verzekerde haar ook, dat al het mogelijke zou worden gedaan om met mij in contact te komen. Ik belde daarop de heer Ritsema, opvolger van de heer Jungschläger. Die was stomverbaasd mij aan de lijn te hebben. Die verbazing steeg ten top toen hij begreep, dat ik niet vanuit de gevangenis, maar gewoon van huis telefoneerde. Ik vertelde hem in korte bewoordingen hoe een en ander zich had toegedragen. Ook hij toonde zich opgelucht en blij dat alles zo goed was afgelopen.

Epiloog

Mijn arrestatie is altijd een mysterie gebleven. Navraag bij mijn vrienden van de politie leverde totaal geen aanwijzingen op. Zelf heb ik, wel een verklaring bedacht. De eerder genoemde inspecteur Bos, die mij bij de P.I.D. afleverde, moet mij hebben gesignaleerd in gezelschap van mevrouw Jungschläger. Hij zal mij - op de terugweg van de kerk in de Malangweg – zijn gevolgd tot aan mijn huis. Zonder twijfel zal hij mijn naam op de voorgevel hebben gelezen en die in verband hebben gebracht met het proces verbaal van de heer Jungschläger. Bos zal met deze arrestatie gedacht hebben een goede beurt te maken bij zijn superieuren. Wat ml hij later lelijk op zijn neus hebben gekeken.

Hoe is het afgelopen met de heer Jungschläger zult u zich afvragen. Welnu, deze had gedurende de oorlogsjaren gediend bij de Koninklijke Marine. Had dus nimmer de ontberingen van de krijgsgevangenschap meegemaakt. Het barre gevangenisleven kon hij in ieder geval slecht verdragen. Hij kwijnde er langzaam weg en is er tenslotte gestorven. Het stoffelijk overschot werd overgebracht naar Nederland. Tijdens mijn verlof in 1955 hebben mijn vrouw en ik zijn graf in Maastricht nog bezocht. Met zijn medegevangene Schmidt liep het beter a£ Deze was na drie en half jaar krijgsgevangenschap wel de nodige ontberingen gewend.

Hij heeft zijn gevangenistijd goed doorstaan en is na verloop van tijd vrijgelaten .

Mijn contact met de P. I.D. kreeg toch nog een staartje. Toen ik in september 1955 met Europees verlof ging, werd mij namelijk een re-entry permit geweigerd, zodat ik in Nederland een andere baan zou moeten zoeken. Dankzij stug volhouden van mijn goede vriend Eddie Fisser van de afdeling Personeelszaken, en ongetwijfeld ook dank zij de medewerking van mijn Indonesische oud-collega's bij de politie werd de vergunning later toch afgegeven. Toen wij in I956 terugkeerden naar Indonesië konden wij niet bevroeden dat ons verblijf aldaar slechts van korte duur zou zijn. De anti-Nederland hetze i.v.m. de Irian Barat (Nieuw-Guinea) - kwestie bereikte tenslotte haar hoogtepunt in de nationalisatie van alle Nederlandse bedrijven begin december I957. De K.P.M. schepen in de Indonesische havens kwamen aan de ketting te liggen, maar werden na onderhandelingen met de verzekeringsmaatschappij Lloyds weer vrijgegeven. Men beschikte toen echter niet meer over een voltallige bemanning voor de schepen, daar het de Indonesische schepelingen door de Indonesische overheid niet werd toegestaan om aan te monsteren. Met inschakeling van al het nog in Indonesië achtergebleven walpersoneel heeft men de schepen toch nog weg kunnen krijgen naar Singapore. In maart 1958 verliet ik Indonesië als lid van de 3-koppige bemanning van het s. s. Van der Lijn.

Hoe dit allemaal in zijn werk ging is echter weer een ander verhaal

Diemen, 1 juli 1996,

Guus Orth